Niet ver verwijderd van Vaals, in het drielandenpunt Duitsland, Nederland en België, ligt het Mariabedevaartsoord Moresnet-Chapelle met het genadebeeld ‘Maria helpster’ of ‘Maria, hulp der christenen’.
In de volksmond wordt dit genadeoord ook ‘Eichschen’ of ‘Eikschen’ genoemd, omdat het genadebeeld hier oorspronkelijk tegen de stam van een eikenboom heeft gestaan.
De oorsprong van het bedevaartsoord gaat terug tot het midden van de achttiende eeuw. Omstreeks die tijd leefde in Moresnet het boerenechtpaar Lamben Frank en Elisabeth Pelzer.
De op een na jongste zoon Peter Arnold, geboren op 10 September 1741 onderscheidde zich door een ongewone vroomheid.
De overlevering vertelt ons dat in de naaste omgeving van Moresnet een zware aardbeving plaatsvond. Arnold was toen zes jaar oud.
Om een schuilplaats te zoeken rende hij naar een nabijgelegen houten keet, waar zijn ouders hem later vonden. De jongen vertoonde de uiterlijke tekenen van vallende ziekte (epilepsie).
Aangenomen werd dat de ziekte door de uiterlijke omstandigheden van de aardbeving tot uiting is gekomen. Sindsdien herhaalden de aanvallen zich bij tussenpozen en werden frequenter.
Bezorgd om de gezondheid van hun kind ondernamen de ouders met de kleine Peter Arnold een bedevaart naar Aken. In vol vertrouwen op God lieten zij hier hun zoon de getoonde relikwieën aanraken. Peter Arnold was een vorig vereerder van de Moeder Gods Maria. Door haar voorspraak hoopte hij troost en genezing van zijn ziekte te verkrijgen.
Op een dag ging hij naar de in zijn buurt wonende boodschappenloopster Katharina Klein en verzocht haar, uit Aken voor hem een klein Mariabeeldje mee te brengen.
De vrouw voldeed aan zijn wens en schonk hem het huidige genadebeeld, de Moeder Gods met het kindje Jezus.
Dagelijks bad hij in de ouderlijke woning voor dit genadebeeld, maar de aanvallen werden niet minder.
Om in zijn gebeden niet gestoord te worden ging hij op zoek naar een rustige bergplaats voor zijn Mariabeeldje en vond die in 1750 in het naburige bos bij een kleine eik. In een speciaal door hem zelf getimmerd houten huisje gaf hij zijn madonna een plaats.
De eik stond op de plek waar zich heden ten dage de bedevaartkerk bevindt. Dankzij zijn vorige smeekbeden en zijn groot godsvertrouwen werd hij ten slotte van de aanvallen van epilepsie bevrijd.
De mare van zijn genezing verspreidde zich snel; men schreef haar toe aan de allerzaligste Maagd Maria. Gaandeweg kwamen vele vrome zielen uit de naaste en meer verwijderde omgeving naar deze plek en stelden zich onder de hoede van de koningin des hemels in hun gebeden.
Ongeveer vijfentwintig jaar lang werd de Moeder Gods in het heilig huisje bij de eik vereerd en aangeroepen, totdat de Franse Revolutie ook Moresnet kwam teisteren.
Peter Arnold haalde het genadebeeld van de eik af, droeg het naar huis en verborg het in een kist.
Toen de woelingen van de Revolutie voorbij waren, wilde Peter Arnold het genadebeeld weer naar zijn oude, vertrouwde plaats terugbrengen, maar de kist bleek leeg.
De kroniek weet te verhalen dat hij het beeld op de plaats bij de eik, waar het altijd had gestaan, terugvond. Dit feit sterkte hem in zijn geloof, en hij nam aan dat het op wonderbaarlijke wijze hier teruggekomen was.
Twee gevallen van een besmettelijke veeziekte, in 1771 en 1797, die door gebeden gelukkig waren afgewend, deden opnieuw vele hulp zoekenden als pelgrims in processies naar Moresnet komen.
Ofschoon het pelgrimeren nog niet kerkelijk georganiseerd en officieel bevestigd was, was het jaar 1797 het begin van de publieke bedevaarten naar Onze Lieve Vrouw van Moresnet.
Peter Arnold stierf op zestigjarige laaftijd op 29 november 1801. Zijn laatste rustplaats vond hij op 30 november op het kerkhof te Moresnet.
Het na de dood van Peter Arnold toenemende aantal bedevaartgangers werd voor de burgers van Moresnet aanleiding een particulier comité op te richten, ten einde de bouw van een stenen kapel mogelijk te maken. In 1823 werd dit plan verwezenlijkt.
Terwijl de kerkelijke instanties zich tot dan toe op de achtergrond hadden gehouden, de bedevaarten evenwel stilzwijgend gedoogden, kwam het in 1829 met de eerste kerkelijk georganiseerde bedevaart en processie van de parochie St. Jakobus uit Aken dan toch tot een doorbraak.
In 1830 volgden officiële processies uit Epen (Zuid-Limburg) in Nederland en Moresnet. Vervolgens werd in 1831 de te klein geworden kapel vergroot en op 4 september door de toenmalige pastoor van Moresnet plechtig ingewijd.
Met de inwijding van de kapel werd de definitieve erkenning van Moresnet als bedevaartsplaats een feit. Als koster koos in 1831 een kluizenaar in de nabijheid van de kapel zijn verblijfplaats.
Hij bouwde er een kleine kluis en droeg zorg voor de bedevaarten. Bijna veertig jaar lang vervulden de kluizenaars de taak van koster in de kapel en voorzagen in hun levensonderhoud met het verkopen van devotieartikelen en proviand aan de pelgrims.
De laatste kluizenaar, Alexander Zeppenfeld, trad in augustus 1876 als broeder toe tot de franciscanenorde.
Tengevolge van de ‘Kulturkampf’ (strijd tussen de Pruisische staat en de rooms-katholieke kerk op het einde van de 19e eeuw) en de ‘wet op de kloosters van 31.5.1875’ werden bijna alle kloosters opgeheven. Zo ook het franciscanenconvent in Aken.
Met wijze, vooruitziende blik voor wat er stond te gebeuren had moeder Franziska Schervier zaliger (stichteres van de Arme Zusters van de H. Franciscus) alle mogelijke moeite gedaan om in de buurt van Aken, op Belgisch grondgebied, en wel in Moresnet, voor de franciscanen een onderkomen te vinden.
Met toestemming van de bisschop van Luik werd dit aanbod aangenomen. Op 17 mei 1875 verhuisden de paters van Aken naar Moresnet.
Wegens de sterke toename van het aantal bedevaarten werd van vele kanten opnieuw de wens geuit om te komen tot een grotere bedevaartskerk. De in de jaren 1823 en 1831 gebouwde kapel werd afgebroken en op dezelfde plek een nieuw godshuis opgetrokken, dat op 8 september 1880, de feestdag van Maria-Geboorte, werd ingewijd.
In 1885 werd begonnen met de bouw van het in de onmiddellijke nabijheid van de bedevaartskerk gelegen kloostercomplex. De bouw was nog niet geheel voltooid, toen de politieke toestand in Pruisen veranderde en de franciscanen bij wet van 29 april 1857 werd toegestaan naar Pruisen terug te keren.
Het begeleiden van de bedevaartgangers werd van 1888 tot 1894 overgenomen door de jezuïten, wier sociëteit in Pruisen verder verboden bleef. Daarna keerden de franciscanen naar Moresnet terug en tot op de dag van vandaag zorgen zij voor het genadeoord.
Johannes Ruiter, de Vader Abt, trachtte de Mariaverering te verbinden met de cultus van Sint-Franciscus van Assisi en ontwierp een kruisweg.
Het bouwwerk werd verwezenlijkt. Het landschap werd volledig heringericht. Alle hoogtes en de berg van de 12de statie werden aangelegd op een vlak terrein dank zij het vrijwilligerswerk van vele omwonenden.
Elke statie heeft haar eigen kenmerken. De gewelven en de muren van de grotten uit puimsteen zijn van buiten bekleed.
De groep van de twaalfde statie, beschadigd door de weersinvloeden, werd gedeeltelijk vervangen door hedendaagse bronzen beelden.
Onder de kruiziginggroep biedt een specifieke uitrusting de mogelijkheid om de heilige mis en andere diensten op te dragen.
De taferelen van elke statie (1,20 m breed en 1,50 m hoog) zijn in haut-reliëf vervaardigd en komen uit het atelier van beeldhouwer Albermann in Keulen. De grootte van alle figuren varieert naargelang hun betekenis zonder het harmonie te storen. De kunstenaar heeft daar fijne Franse zandsteen voor gebruik.
Sommige staties zijn geschonken. De naam van de schenker staat onderaan op een plaquette vermeld.
De vele sierplanten, waaronder exotische soorten, maken van de plantsoenen een meesterwerk in het groen. Vooral in de lente wanneer de talrijke soorten rhododendrons mooi in bloei staan.
Alle staties zijn voorzien van gesmede poorten en hekwerk. Deze werden vervaardigd door Broeder Zimmermann.
De plechtige opening van de Kruisweg vond plaats op 25 mei 1902; maar hij werd pas op 13 september 1903 voltooid.
Het 100 jarig bestaan is in 2003 gevierd.
De begraafplaats van het klooster is eveneens in het park. Het ligt wat verborgen in het midden.
Bij het klooster staat een plattegrond van het park.
Het is beslist de moeite waard om eens een kijkje te nemen in het park. Ook voor de niet-gelovige mens is de kennismaking een mooie ervaring.
Het adres van het franciscanerklooster is:
Place Arnold Franck 1,
B-4850 Moresnet-Chapelle.
Telefoon: +32 87 786158
Fax: +32 87 786105
U kunt voor vragen ook mailen naar:
bedevaart - moresnet apestaartje hotmail . com
Ter voorkoming van spam is het adres anders geschreven. Verwijder de spaties en verander apestaartje in het juiste teken.